Column - Column verloskundigen
De verloskundige, wat doet ze nou precies? Wat komt er allemaal kijken bij het vak? 3 verloskundigen, uit verschillende delen van het land, houden hier een column bij. Iedere week lees je een nieuwe column van 1 van hen.
Geplaatst op: 01-10-2010
Hoe weids is de polder? Door Marianne Wigbers
Dat was in het najaar, en van de nagenoeg onhoudbare persdrang wist ik niets. Wij lieten verkeer van rechts voorgaan, wachtten rustig voor het verkeerslicht, bleven netjes achter de tot de rand gevulde bietenwagens en reden net voor achten het erf op. Ik leerde mijn stagiaire, hoe je een blaffende hond negeert en we liepen, op ons gemakje, via de openstaande schuurdeur, via de bijkeuken, door de keuken, de hal in. We versnelden ons tempo halverwege de gang, omdat we toen pas het aanzwellende -en voor mij zo herkenbare- kabaal hoorden wat uit de benedenslaapkamer bleek te komen. ‘Dat klinkt goed,’ zei ik tegen mijn stagiaire. ‘Werk aan de winkel.’ Ik vond het geweldig dat wij exact op tijd waren gearriveerd. Wat een timing. Mijn stagiaire sprak de verlossende woorden: ‘U mag persen.’
De boerin zei dat ze geen “U” hoefde te zeggen, en perste aansluitend, zonder mankeren, haar eersteling op de wereld.
Het was kwart over acht in de ochtend en ik zei: ‘Zo, zo, dat was nog eens hard werken, tijd voor koffie!’ en zat als eerste aan de beschuit met muisjes.
Pas aan het einde van haar derde zwangerschap, met de aankomende bevalling in het zicht, vertelde ze me de details van haar gedachtenstroom en hoe ze die had gecombineerd met de steeds heftiger wordende persdrang in het lijf. Ik wist het werkelijk niet, maar ook de tweede maal was ik schijnbaar op de nipper op tijd ten tonele verschenen.
‘Deze maal maar iets eerder bellen dan.’
Deze nuchtere conclusie hadden we samen getrokken.
En nu is het zover.
Voorjaar, geen bietencampagne, geen sporen met kleiklonten maar her en der slechts wat modderige plassen op de weg, geen tracktoren, maar vrijetijdsfietsers, geen appels aan de bomen, maar bloesem. Kale akkers, schapen met lammetjes, rustig draaiende windmolens en de koeien voor het eerst weer buiten.
Mijn onrust begint bij het enige verkeerslicht wat ons dorp rijk is. Het staat op rood. Terwijl ik wacht hoor ik een stemmetje: ‘Als ze maar doorrijdt.’ Het galmt een beetje na in mijn hoofd. Het is vijf uur in de middag, vrachtwagens rijden kop aan kont over de doorgaande weg. Ik kan het rode licht onmogelijk negeren. Het gas gaat op de plank zodra ik aan de beurt ben.
-Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week, maar waarom belt ze nu net tijdens deze verkeerspiek?-
Het liedje zit in mijn kop, hoe zou het nu met de barensnood zijn? Op de smalle binnenwegen gaan de fietsers nauwelijks opzij. De bermen zijn modderig met diepe ingereden geulen, ik doe er beter aan om op het asfalt te blijven. In de verte zie ik een wegverbreding, ik sukkel achter het fietsende stel aan tot ik ze in kan halen. –Appelbomen, appelbomen, peeeeerenbomen, appelbomen.- De bloesem is alweer bijna uitgebloeid, als ik nu een student in de auto zou hebben, dan zou zij het verhaal over appelboer Henk moeten aanhoren. Zijn vrouw kreeg de weeën in een koude aprilnacht, fruitbomen vol bloesem en er was nachtvorst voorspeld. Het was de enige keer, van alle bevallingen die ik ooit meemaakte, dat de jonge vader eerder uit het ziekenhuis was vertrokken dan ik. Zijn dochter was geboren, de navelstreng doorgeknipt, de naam gegeven, een knuffel voor zijn vrouw, maar toen moest hij toch echt naar zijn bloempjes.
Op de terugweg van het ziekenhuis zocht ik Henk op in zijn boomgaard, en daar, om vier uur in de nacht, liet ik me voorlichten over lentevorst, tere fruitbloesem, de kans je gehele oogst te verliezen door bevriezing, en de truuk om te beregenen. Sproei de bloemen nat, een dun laagje ijs vormt zich en de bloempjes zijn beschermd tegen kapotvriezen. Henk gaf me een versimpelde en verkorte versie van het procedé, veel tijd had hij namelijk niet voor me. Het aggregaat draaide brommend op volle toeren, en hij moest weer verder. Met een grote zaklamp in de hand, rennend, op en neer langs de paden. Nat van het sproeiwater, hijgend van de inspanning, verhitte rode wangen ondanks de vrieskou. Hij bewaakte zijn boompjes met zijn leven, zoveel werd me toen wel duidelijk. Begrip voor zijn gehaaste vertrek uit het ziekenhuis, zeker met de gedachte dat er vanaf heden, brood op de plank moest komen voor het gehele net gevormde gezinnetje.
De fietsers slaan af, en ik kan weer gas op de plank, modder spat op. De man zwaait naar me, of is het zijn vuist? -Kalmpjes aan, kalmpjes aan, doe maar kalmpjes aan.- Hoe vaker ik mezelf toespreek om kalmpjes aan te doen, hoe dieper het gaspedaal ingaat. Een buikpijn onderin trekt langzaam omhoog, het giert zo van beneden naar boven en weer terug. Opeens zie ik voor me hoe ik deze maal voor een dichte deur sta, terwijl ik duidelijk hoor hoe er binnen heel hoog gegild wordt, gevolgd door baby gehuil, dit alles tegelijk met mijn tevergeefse gerammel aan de voordeur. De aankomende bocht gaat makkelijk in zijn vier, ik moet een klein beetje bijremmen, maar mijn wielen komen nog net niet van de grond. Wat zal ik daar treffen, aan de telefoon klonk ze lacherig en aarzelend over de noodzaak van bellen. ‘Nu bel ik echt veel te vroeg, ik heb pas een paar weeën gehad.’ Het was meer een mededeling. ‘Ik dacht, dan weet je het alvast,’ zei ze: ‘…de vliezen zijn nog niet eens gebroken en dat was andere keren eigenlijk wel.’
Ik beloofde direct na het avondeten langs te komen, maar bedacht dat ik vast geen hap door de keel zou krijgen voor ik de werkelijke stand van zaken wist. Aardappels schillen delegeerde ik aan mijn oudste: ‘Als het niks is, kom ik wel weer terug, als pappa eerder thuis is, kan hij beginnen met koken.’ en ik reed via de sportvelden het dorp uit, floot bij de eerste twee rotondes nog vrolijk mee met de radio, tot een rood licht de adrenaline in mij los maakte en het refrein van Kortjakje in allerlei varianten door mijn hoofd begon dreunen.
-Nog drie windmolens, nog twee, hou dat kind binnen tot ik er ben.-
Een luid blaffende hond rent rond mijn auto, ik parkeer recht voor de openstaande bijkeukendeur. Daar zwaait iemand vrolijk naar me vanachter het keukenraam.
Uiterlijk relaxed loop ik de keuken in, ik denk even niet aan de drie boetes voor te hard rijden, de boze fietser en de bemodderde rechterflank van mijn auto.
‘Hé, ben je er al?’ en met een plonsje gooit ze een net geschilde aardappel in de pan.
Linneke82 scheef op 14-03-2012 om 09:28:08
Mooie column! En helemaal waar, hier ook geen contractverlenging gehad met een rotsmoes 1,5 week nadat ik kenbaar had gemaakt zwanger te zijn... Wat voel je je dan naar zeg!





