Column - Column verloskundigen
De verloskundige, wat doet ze nou precies? Wat komt er allemaal kijken bij het vak? 3 verloskundigen, uit verschillende delen van het land, houden hier een column bij. Iedere week lees je een nieuwe column van 1 van hen.
Geplaatst op: 08-07-2009
Woef! Tweede deel van ‘Over de dijk’ Marianne Wigbers
Waarin Mevrouw Dijkmans van Gunst al onderweg is naar het ziekenhuis met haar man samen in de Ambulance, de kordate stagiaire de Volvo van meneer rijdt, dit alles terwijl de verloskundige per krakende mobiel aan de gynaecoloog probeert uit te leggen hoe ze ervoor staan.
Helder, bondig en duidelijk overdragen was dus mijn doel. Een insturing waar ze geen speld tussen zou krijgen.
Adem in.
‘Goedenmorgen met Annemieke Visser. Ik ben onderweg naar u toe in verband met onvoldoende vordering van de baring van mevrouw Dijkmans van Gunst. Tweede kindje, a terme, stagnatie van de baring, mogelijk door verkeerde ligging, matige weeën, vorige maal een Vacuüm in verband met een kruinligging.’
Adem uit.
‘Dijkman? Wat? Ik versta je heel slecht.’
Stomme speakerset, ik ruk de telefoon uit de houder en houd hem aan mijn oor, onderwijl keer ik de auto. Ik zie Marijke het zelfde doen met de Volvo. De felgele Ambu is de straat al uit. De broeders overtuigde ik met moeite dat Linda echt niet onderweg zou bevallen. Toch wil ik niet te ver achterop raken.
Ik vertel de kern van het verhaal nog een keer en nu in horten en stoten door schakelen, sturen en slecht bereik.
‘Dijkmans van Gunst, dubbele achternaam… Tweede kind. Onvoldoende uitdrijvende kracht… Al in ambulance onderweg…’
‘Nou, ik ga het doorgeven op de verloskamers, maar het ligt eigenlijk vol.’
Blij dat ik haar voor een voldongen feit stel. Ze kan me onmogelijk nog naar een ander ziekenhuis sturen. Onbewust heb ik mijn heilige voornemen ten uitvoer gebracht: ‘Indien haast geboden, laat ik me door niemand naar Polderoord sturen!’
Dokter Poelman mag mopperen, Linda zal me dankbaar zijn. Geen onhoudbare persdrang midden tussen akkers en weilanden, terwijl het Polderziekenhuis nog lang niet in zicht is, maar vol gas over de uitgestorven dijk en in recordtijd op de Veluwseverloskamers.
Bij de rotonde zie ik Marijke niet meer in mijn achteruitkijkspiegeltje. Ik draai een extra rondje en ze kan weer aansluiten. Via enkele kleine modderige tussenweggetjes omzeilen wij de wegversperring, om, met wat burgerlijke ongehoorzaamheid, halverwege de dijk weer tempo te kunnen maken. Behoudens een enkele wilde gans komen we geen kip tegen. Parkeren naast elkaar bij de Spoedeisende Hulp-ingang, haasten ons naar de Verlosafdeling en komen vlak voor de verloskamers de gynaecologe al tegen.
Ze duwt het echoapparaat voor zich uit.
We zijn ongeveer even oud, Mevrouw Poelman en ik. Ik kom al net zo lang in het ziekenhuis met mijn stagnerende baringen als zij er gynaecologe is. Enig ontzag heb ik altijd voor deze ranke, slanke en zeer kordate vrouw. Onze voornamen verschillen amper, toch zijn de keren dat ik haar gewoon Anneke noemde op één hand te tellen. Hoewel ze naar me op moet kijken als ze me aanspreekt voel ik me vaak nietig klein. Wat ze van mij vindt valt moeilijk te peilen, terwijl iets in mij het toch belangrijk vindt om juist door haar gewaardeerd te worden.
‘Annemieke, ik had liever dat je wat eerder had gemeld dat je deze kant op wilde komen…’
Ik zet mijn meest onschuldige gezicht op.
‘Oh.’
‘Alle kamers lagen vol, we hebben snel iemand van ‘Twee’ verplaatst naar zaal.’
Bijna zeg ik ‘sorry’, wil omstandig gaan uitleggen over het hoe en waarom. De afgesloten dijk, de vlotte ambulance. Alleen hebben we allebei haast om in de verloskamers te komen. Ik hef mijn handen in de lucht om mijn onmacht kracht bij te zetten. Om twaalf over tien gearriveerd, krap een kwartier onderweg, de scherpste aanrij-tijd ooit.
‘Het ging zoals het ging, ik ben blij dat we er zijn.’
First things first: Linda Dijkmans van Gunst.
‘Oef-woef-woef-woef, oef-woef-woef-woef.’
Op verloskamer twee hoor ik Linda. Arnold heeft ze onveranderd klemvast in de houdgreep. Ze krijgt infuus, ze krijgt iets tegen de pijn, Poelman kijkt met de echo hoe het kind ligt, inwendige registratie voor het in de gaten houden van de conditie van de baby. Vlot wordt alle apparatuur aangesloten.
‘Ze moet op de linkerzij liggen, ik kom zo weer terug.’
Dan zijn we weer alleen. Relatief alleen, Linda, Arnold, Marijke, ik en de bijna geboren kleine. Via het CTG-apparaat horen we het ritme van de hartslag van de baby. Via het drukmetertje zien ze de kracht van de samentrekkingen van de baarmoeder, via het infuus krijgt ze druppelsgewijs weeënversterkers.
‘Oef-woef-woef-woefurgh, oef-woef-woef-woefurGH!’
Ze vraagt aan me of ze mag persen.
Ik zeg: ‘Nee!’
Van de dokter kregen we immers de opdracht een half uur zuchten op de zij.
Ik denk: ‘Ja toemaar…’
Negen maanden verloskundige-vertrouwensband, de laatste drie uur zeer intensief versterkt, maakt mij amper tien minuten na de overdracht natuurlijk niet tot een incompetente outsider. Ik ben haar verloskundige, ik blijf haar verloskundige. Misschien ben ik toch te vroeg naar het ziekenhuis vertrokken, misschien perst ze nu zonder problemen op de juiste manier.
Ik blaf hardop iedere wee met haar mee, trek ondertussen wel schort en handschoenen aan en draag mijn stagiaire op het zelfde te doen. Ik wil Marijke het correcte hygiënische voorbeeld geven en ik ben nog steeds in mijn spreekuurkleding. Een modieus grijs-gestreept giletje dat minstens naar de stomerij zal moeten bij morsen van bloed of vruchtwater.
Partus setje open, klemmen en scharen voor het grijpen. Voorlopig ben ik nog steeds de vuurtoren waar Linda zich op richt. Zolang de reddingsbrigade nog niet in zee is zullen Arnold en Linda het met mij moeten doen. Zuchten zolang dat haar nog lukt, op het hoogtepunt even toegeven aan het persgevoel als het echt onhoudbaar drukt. Voorzichtig voel ik hoe diep het hoofdje staat. Werkelijk een heel verschil met thuis. Laat mij ongelijk hebben in de insturingsbeslissing. Mocht het kind geboren worden ondanks ons zuchten, so be it.
Zo sta ik dus, met bloed aan mijn handschoen, plastic wit schort voor, in de startblokken als Poelman weer binnen komt. Verbaasd kijkt ze naar mij en mijn stagiaire.
Betrapt.
Zo voel ik me.
Outsider van het incompetentste soort.
‘De bevalling is toch medisch geworden?’
We zijn een paar seconden twee bijenkoninginnen met overlappende territoria. Met respect voor deze gynaecologe plus haar kennen en kunnen doe ik met schort en al een stapje achteruit. Terug in de vuurtoren-positie, ruimte voor de reddingsbrigade. Iedereen in de sloepen. De zee op.
‘Ik kan het CTG-apparaat niet zien.’
Ruim honderd kilo vuurtoren staat in het zicht. Ik doe nog een stapje naar achteren.
De hartslag van de baby is laag, dokter Poelman besluit tot het doen van een Vacuüm Extractie. We zijn op de goede plek. Linda laat zich vakkundig door de storm loodsen. Verdoven, inknippen, meetrekken tijdens de wee. Bevrijdend snel wordt nu de baby geboren. Een jongetje. Matthijs. Hij huilt, Arnold huilt, Marijke pinkt stiekem een traantje weg. Linda roept dat het allemaal best meeviel. Ontlading voor iedereen.
Het is kwart voor elf.
Placenta, hechten, kind nakijken.
Ik haal adem om mijn genomen stappen toe te lichten als de dienstlijn van de dokter gaat.
Ze is elders nodig.
Poelman is alweer verdwenen.
Misschien zal ik het ontstaan van de situatie ooit een keer uitleggen.
Ooit.
Waarschijnlijk niet.
‘Mijn’ dame is uitstekend geholpen. I got what I wanted!
Het is nu tijd voor beschuit met muisjes.
Linneke82 scheef op 14-03-2012 om 09:28:08
Mooie column! En helemaal waar, hier ook geen contractverlenging gehad met een rotsmoes 1,5 week nadat ik kenbaar had gemaakt zwanger te zijn... Wat voel je je dan naar zeg!





