Voor- of laagliggende placenta
Meestal groeit de placenta ergens boven in de baarmoeder. Een enkele keer komt het voor dat de placenta over de uitgang van de baarmoeder, of er laag onder in de baarmoeder, ligt.
De verloskundige wordt op het spoor gezet van een laag(voor-) liggende placenta als het hoofdje van de baby niet wil indalen aan het eind van de zwangerschap(zie hoofdstuk hoofdje daalt niet in) of als de baby verkeerd ligt(zie liggingafwijkingen).
Door middel van de echo wordt dan de diagnose gesteld van voor- of laagliggende placenta.
Voorliggende placenta:
Het komt regelmatig voor dat bij de eerste echo (vroeg in de zwangerschap) gezien wordt dat de placenta over de baarmoedermond (de uitgang) ligt. Meestal groeit de placenta met de groei van de baarmoeder mee omhoog en zal bij een latere echo ter controle, worden gezien dat de placenta er niet meer voor ligt.
Blijft de placenta, geheel of gedeeltelijk, voor de baarmoedermond liggen(0,2% van de zwangerschappen), dan kan het kind niet vaginaal geboren worden. De uitgang wordt immers geblokkeerd door de moederkoek. Er staat dan bij voorbaat vast dat er een keizersnede zal volgen. De voorliggende placenta geeft vaak zeer veel bloedverlies in de zwangerschap. Dit is vaak een van de eerste symptomen voor een voorliggende placenta.
Door het overmatige bloedverlies, wat overigens pijnloos is, dit in tegenstelling tot bloedverlies bij een loslating(zie placenta loslating), zal de zwangerschap meestal niet tot het einde worden uitgedragen.
Advies: bij een voorliggende placenta mag er geen geslachtsgemeenschap plaatsvinden omdat de penis de placenta kan beschadigen.
Laagliggende placenta:
Als de placenta onder in de baarmoeder ligt, maar niet over de baarmoedermond heen, kan dat een belemmering zijn voor het indalen van het hoofdje van de baby. De placenta neemt immers een deel van de ruimte in, waardoor er geen plaats is voor het hoofdje.
Of je vaginaal kan bevallen is in deze situatie vaak niet van tevoren te zeggen. Meestal wordt geadviseerd om in het ziekenhuis te bevallen zodat men kan ingrijpen als blijkt dat ook tijdens de ontsluiting het hoofdje niet kan indalen of dat de placenta teveel bloedverlies veroorzaakt.






