Ééneiige tweeling
Zoals in de inleiding verteld berust het ontstaan van een ééneiige tweeling puur op toeval, er is dus geen sprake van erfelijkheid.
Een ééneiige tweeling ontstaat uit één eitje dat bevrucht is door één zaadcel. Tijdens de eerste periode van de ontwikkeling van het bevruchte eitje "beslist" het eitje opeens om zich in twee verschillende delen te splitsen. Die beide delen ontwikkelen zich dan verder tot twee baby's.
Een ééneiige tweeling heeft altijd hetzelfde geslacht en chromosomaal helemaal identiek aan elkaar. Daarom lijken ze ook als twee druppels water op elkaar.
Als het eitje heel vroeg in de ontwikkeling "beslist" om zich te splitsen in twee vruchtjes, dan krijgt iedere baby zijn eigen placenta (hoewel die wel weer vaak met elkaar vergroeien en dit meestal alleen microscopisch is vast te stellen) en ook zijn eigen vliezen. De baby's zitten dus ieder in een eigen vruchtzak met zowel een eigen chorionvlies als een eigen amnionvlies. Van deze tweeling is het vaak het moeilijkst om te zeggen of dit een ééneiige of twee-eiïge tweeling is. Immers een twee-eiïge tweeling heeft ook een eigen vruchtzak met eigen amnion- en chorionvlies (totaal vier lagen vlies in het tussenschot, zie tekeningen).
Als de splitsing iets later plaatsvindt, dan hebben beide baby's samen één placenta. Ook het buitenste vruchtvlies (het chorion) delen ze gezamenlijk. Wel hebben ze ieder een eigen vruchtzak die wordt gescheiden door twee lagen amnionvliezen. Door zorgvuldige inspectie van de placenta en de vliezen kan vaak wel gezien worden of het tussenschot bestaat uit twee of vier lagen. Als het tussenschot bestaat uit twee lagen, dan is met zekerheid te zeggen dat dit een ééneiige tweeling betreft.
Bij een heel late splitsing (komt weinig voor) hebben beide baby's een gezamenlijke placenta, maar ook een gezamenlijke vruchtzak. Ze worden dus niet van elkaar gescheiden door een vruchtvlies. Deze vorm van tweelingen is zeer zeldzaam, maar het is in dit geval dus direct duidelijk dat het om een ééneiige tweeling gaat.
"Een 1 eiige tweeling is puur toeval"
A; Er zijn twee placenta's en het
tussenschot tussen de baby's
bestaat uit vier lagen. Dit kan
zowel een één- als een
twee-eiïge tweeling zijn.
B: Er is één placenta en het
tussenschot tussen de baby's
bestaat uit twee lagen. Dit is
altijd een ééneiïge tweeling
C: Er is één placenta en er is
geen tussenschot, dit is altijd
een ééneiige tweeling.






