Brood baby
Sommige kinderen reageren overgevoelig op gluten (eiwitten uit granen). Daarom wordt meestal geadviseerd om pas na zes maanden producten te geven waarin de granen tarwe, haver, rogge en gerst voorkomen omdat deze gluten bevatten.
Als jouw kindje zes maanden is, kun je hem brood geven. Een korstje brood om op te sabbelen is voor de meeste kinderen een leuke kennismaking met dit waardevolle product. Geef daarna wat stukjes brood, begin met (licht)bruin brood zonder beleg. Brood dat een dag oud is plakt minder. Bruin brood bevat meer vitamines, mineralen en voedingsvezels dan wit brood en heeft daarom de voorkeur. Leg het stukje brood aan de zijkant, bij de wang, in het mondje. Hij zal dan automatisch met zijn tong het stukje verplaatsen en vermalen in zijn mond. Als je het stukje brood op de tong legt, heb je kans dat het stukje brood bij de eerste tongbeweging aan het verhemelte blijft plakken en dat kauwen erg moeilijk wordt. Later kun je er een beetje margarine uit een kuipje opsmeren en eventueel wat beleg zoals appelstroop, jam, geprakt fruit (dat hij misschien al kent) of vruchtenmoes. Korstjes stimuleren het kauwen, bovendien leer je zo je kindje van jongsaf aan om ook de korstjes op te eten.
Een kleintje heeft voldoende vet nodig. Daarom is het nodig het boterhammetje te besmeren. Margarine uit een kuipje bevat de goede soorten (onverzadigd) vet.
Smeerleverworst blijft handig plakken op een stukje brood, en glijdt soepel naar binnen, maar het is niet het ideale broodbeleg. Het bevat namelijk nogal wat vitamine A, waar kleintjes beter niet te veel van binnen kunnen krijgen. Geef daarom niet vaker dan 2 x per week een boterhammetje met smeerleverworst. Smeerkaas is ook een geliefd beleg, maar hier zit het nadeel aan dat het veel zout bevat. Gebruik dit niet dagelijks.






